Mijn Limburg / het korte verhaal

De actie Nederland Leest (1 – 30 november 2015) stond in het teken van het korte verhaal. De inwoners van de gemeenten Beesel en Peel en Maas werden opgeroepen een verhaal in te sturen. De omvang mocht maximaal 250 woorden zijn, het thema is Mijn Limburg. De beste verhalen zijn bijeengebracht in een bundel.

Het boekje is te koop online, binnekort hier de link.

Hieronder zijn alle illustraties inclusief het bijbehorende korte verhaal.

Limburg in vogelvlucht – © Hay van den Munckhof

limburg in vogelvlucht
“Limburg in vogelvlucht”, short story by: Hay van den Munckhof

In het bronsgroen eikenhout? Waarom zou ik juist daar moeten zingen? Ja, in het dichte groen zit ik graag, logisch als je elk moment een sperwer op je dak kunt krijgen. Maar eiken? Te veel smerige rupsen die ik mijn jongen niet ga voeren. Ze krijgen een zere keel van die akelige haartjes. Maar goed dat de meeste omlaag dwarrelen, waar vooral de tweevoeters met hun rare taaltje er last van hebben. Het vleit me overigens wel dat die met mij hun lijflied beginnen. Ik bedoel maar, concurrenten zat; de lijster, de leeuwerik of de wielewaal, om maar wat namen te noemen. Maar nee, ze kozen uitgerekend mij.

Hierbij wil ik wel een kanttekening plaatsen. Het is een ernstig misverstand dat wij nachtegalen de hele dag maar wat zitten te flierefluiten. Alsof we niets beters te doen hebben! Nou, ik weet wel beter. Na een winter die je enkel op je tandvlees overleeft, zie je in de lente maar hoe je aan spullen voor een fatsoenlijk nest komt. En dan moet het echte werk nog beginnen; paren, eieren leggen, broeden en je tot zonsondergang afbeulen om die altijd hongerige bekken te vullen. Ik verzeker je dat ik na zo’n dagtaak nodig bij moet komen. Pas daarna heb ik af en toe nog puf om, liefst bij volle maan, een potje te fluiten voor de flikflooiende mensenpaartjes onder mijn boom.

O, mijn woorden zijn op? Alaaf dan maar, zoals ik jullie tegen het einde van de winter niet bepaald melodieus hoor zingen.

Mijn Limburg (Het witte huis) – © Sylvie Laumans-Franzen

t witte huis jaren 30
“Het Witte Huis”, shortstory by: Sylvie Laumans-Franzen

‘Mijn Limburg’ is het Midden-Limburg uit de jaren dertig van de vorige eeuw, toen wij, stadskinderen, die geen tuin kenden, in de zomervakantie veertien dagen logeerden bij opa, oma en de tantes in het witte huis aan de Rijksweg in Reuver.

Wat was daar dan zo fijn aan?

Voor opa de post halen in het postkantoortje.

Met oma de kakelende kippen voeren, voorzichtig de eieren rapen, en die voorzichtig in haar mandje leggen, helpen in de tuin en luisteren naar dat kerktorenwijsje, dat ieder kwartier tingelde.

In de zinderende middaghitte over het mulle zandpad tussen de korenvelden met de rode klaprozen en blauwe korenbloemen tussen de halmen,  naar het Lambertuskapelletje wandelen, weesgegroetjes bidden, kaarsjes opsteken, afdalen naar de koele Maas, over het pad naar de berken weer naar huis.

Pootje baden in het Foekebroek en in de beekjes die van de Pruuse bos naar Offenbeek en de Kievit liepen.

Zandkastelen bouwen op de zandberg aan het hondsveld.

Dit alles met het witte huis en zijn bewoners als thuishaven.

Dat witte huis met zijn grote, met maaskeien geplaveide binnenplaats had nog de charme van een carréhoeve. Via een oude hooischuur kwam je door een poortje in een grote tuin met een prieel en bloemperken, omzoomd door kruidig geurende buxus. Voor ons was het een sprookjeswereld.

Dagen van een gulden vrijheid, waarin alles kon en mocht wat in de stad uitgesloten was.

Dagen met een gouden rand,  maar voorbij wanneer de trein met zijn machtige locomotief en schrille stoomfluit ons weer meenam naar huis, naar een stad aan de Merwede.

Mijn Limburg (Het stille bos) – © Toos Berkx-Beckers       (WINNAAR)           

witte stein
“Wandeling Witte Steen”, short story by: Toos Berkx-Beckers

Het is zondag tegen enen. Mijn man en ik lopen over de toegangsweg richting bos. We springen van de ene voet op de andere om de modderpoelen te ontwijken. Druk gebruikt pad. Verse afdrukken van paardenhoeven.

We lopen verder het bos in. Prachtige stilte. Buiten ons geen mens te bekennen. Het bladerdek knispert zacht onder onze zolen. Onze ademhaling zingt ritmisch door de lucht. Zelfs het schurend geluid van onze spijkerbroeken is hoorbaar.

We passeren een vennetje met nog flarden van flinterdun ijs. Langs de randen schitteren luchtbelletjes als facetgeslepen kristal.

Hoog in de bomen twittert een enkel vogeltje haar boodschap. Aan de voet van de bomen doet het mos zijn best om uit de winterslaap te ontwaken. Tussen de bruinzwarte winterheide steken de vliegdennetjes hun brutaalgroene kopjes naar boven. Een dor blaadje buitelt dartel over ons pad. De kruidige aardegeur vermengt zich met nog tere lentelucht.

In de verte graast een roedel reeën.

Rechts van ons is het bos poreus. Lange, kale stammen met een uitgedunde haardos.

Links een dichtbegroeid sparrenbos, schemerig donker, een veilige schuilplaats.

We voelen de aanwezigheid van dieren, maar ze laten zich niet meer zien.

We praten met elkaar zonder woorden. En àls we woorden gebruiken spreken we heel zacht, bang om een barst in die weldadige stilte te tikken.

We lopen terug.

Het eerste jonge stel met kind en hond komt ons tegemoet. Zij genieten ook. Maar anders.

Mijn Limburg (Pasen op de hei) – © Marian Trienekens

venloose hei pasen
“Pasen op de hei”, short story by: Marian Trienekens

Na veertig jaar woon ik weer in Limburg. Ik ga wandelen met mijn hond Bucca op de Venlose hei, ’t Jaomerdal, om precies te zijn. Opeens blijf ik staan. Bucca kijkt mij verbaasd aan. Mijn gedachten gaan 54 jaar terug.

Het is paaszondag ‘s ochtends, ik ben zeven jaar. Pap, Anneke (vier jaar), ik en Astra de hond gaan wandelen in ’t Jaomerdal op de hei. Na een tijdje zegt pap: “ Jónges, blief geej heej met Astra staon, dan loup ik door, kieke of hae mich vind as ik roop.” Anneke vindt het eng, maar ik denk: och, pap is alleen maar het hoekje om. Pap fluit, Astra gaat er als een speer vandoor.

Wij lopen hand in hand het bospad af. Dan zie ik iets liggen. “Anneke, kiek ens heej, ein paosei!” Ik raap het rode eitje op. Anneke blijft mijn hand vasthouden. Totdat ik verderop een groot ei zie liggen. “Móste ens kieke, ein sjokolade-ei.” Dan laat Anneke mijn hand los en gaat ook zoeken. Met zes gekookte en twee chocolade-eieren als buit komen we bij pap aan. “Pap, mót geej ens kieke waat weej gevónde hebbe, paoseier!” Met een glimlach van oor tot oor zegt mijn vader: “Nou, die mótte de klokke oet Rome heej dan verlaore hebbe.”

Vandaag heb ik geen paaseieren gevonden, maar wel dierbare herinneringen aan mijn ouders, mijn jeugd en Limburg; die gaan nooit verloren.

Mijn Limburg (Terug v (erhuizen) – © Marianne Crins

terug verhuizen
Terug verhuizen, short story by: Marianne Crins

Ze koos de kortste route die haar TomTom aangaf. Ze wachtte op de witte veerpont die traag haar kant uit kwam. Haar ogen gleden over de bekende oever. Daar in de verte lag die bekende bocht in de rivier. Het dorp werd nu nog aan het zicht onttrokken. Aan de overkant stonden twee grote monumentale bomen, de enige overblijfselen van de boerderij die er vroeger gestaan had. Nu vormden ze als het ware het begin van een oprijlaan naar een oud, nieuw bestaan.

Haar gedachten dwaalden af. Ze hoorde de klokken op zondagmorgen en de ‘sóndigse soep’ en de ‘kaokpödding’ van oma proefde ze bijna. Stoeprandje spelen op straat, in de rups op de kermis, dansen in de Blokhut met carnaval, fietsen met vriendinnen naar Broekhin, de eerste kus op zondagavond net buiten de Drakebôch.

Ze was weggetrokken. Het dorp was te klein geworden, had haar bekneld. Er moest een nieuwe horizon gevonden worden. Ze had zich bewapend met kennis en levenservaring. Ze had gereisd en op vele plekken gewoond. Maar die horizon bleef hetzelfde.

Op de achterbank wordt haar dochtertje langzaam wakker. Haar man zal met de verhuiswagen wel bijna bij de rotonde met de draak zijn. Die draak, die boezemt haar geen angst meer in. Hij maakt nu deel uit van wie ze is. Ze heeft hem in haar hart gesloten. Hij voert haar mee over de horizon naar het dorp aan die ene bocht van de Maas. Daar liggen herinneringen op haar te wachten.

MIJN LIMBURG(S) – © Liset Janssen

limburgs dialect
Mijn Limburg(s), short story by: Liset Janssen

“Komen jullie uit België?”

Het Randstadventje kijkt mijn zoontje vragend aan.

“Hoezo?”

“Jullie praten als Belgen.”

“Nee hoor, wij komen uit Limburg.”

De hele week trekken ze met elkaar op. Ventje kijkt af en toe verbaasd als hij ons onderling dialect hoort praten. En als Zoontje op zijn beste Hollands ‘watblief’ zegt, schiet Ventje in de lach.

“Je moet zeggen: Wat zeg je?”

“Watblief?”

“Je moet zeggen: Wat zeg je. Watblief klinkt zo Belgisch.”

“Boejuh!”

Als er een nieuw gezin arriveert, zegt zoonlief: “Mam, we gaan nu wel Nederlands tegen elkaar praten hè, anders denken ze wéér dat we uit België komen.”

“Boejuh!”

Ik ben trots op ons dialect en ook op ons Limburgs accent. Woest word ik, als ABN-sprekende Limburgers op tv worden ondertiteld. Maar ook als ons dialect belachelijk wordt gemaakt of, erger nog, slecht wordt geïmiteerd in films of series.

Hoewel nu nog 70% van de Limburgers dialect spreekt, neemt het aantal dialectsprekers langzaam af. Er zijn ouders die denken dat hun kinderen met het ABN moeten worden opgevoed. Ze beseffen niet dat kinderen die tweetalig worden opgevoed, op taalgebied beter presteren op school. Moet een woord met lange -ij of korte -ei? Is het mannelijk of vrouwelijk? Daar hebben wij, Limburgers, toch maar mooi ezelsbruggetjes voor.

Als iemand ons erfgoed met trots in ere blijft houden, ben ik het. Ik bin gruëts op ós Limburg(s).

Het land van de knipoog – ©Hanneke Eggels ( hiervoor is geen toestemming verkregen om het digitaal te publiceren)

land van de knipoog
Het land van de Knipoog, short story by: Hanneke Eggels

Mijn Limburg (Kruutje) – © Francine Meerts

kruutje
“Kruutje”, short story by: Francine Meerts

Na 8 maanden reizen door Zuid-Amerika verlaat ik met weemoed dit continent, op naar het volgende, Australië. Wat een verschil. Westerse mensen, andere dieren en planten, ruime huizen, brede wegen, hogere temperaturen en winkels met voedsel in overvloed.

In een klein dorpje Blackheath, op 80 km van het grote Sydney, ga ik naar een kruidenier om inkopen te doen voor de reis door het immense binnenland. Lopend langs de rekken valt mijn oog op een ongeveer 15 cm hoog, zacht plastic potje in de kleuren geel en rood met een logo in de vorm van twee getekende appels. Ik geloof mijn ogen niet. Onmiskenbaar een pot Limburgs “Kruutje” van Timson uit Beesel, mijn dorp. En dat vind ik hier, aan de andere kant van de wereld.

Voorzichtig neem ik de pot in mijn handen. Ik draai hem om en zie duidelijk Beesel staan. Voor het eerst sinds lange tijd overvalt me het gevoel van heimwee. Kippenvel krijg ik. De gedachten gaan naar mijn dorp en ik zie mezelf, rijdend vanaf Swalmen. Door een tunnel van bomen kom ik Beesel binnen. Gelijk zie ik de kerktoren en dan weet en voel ik het, ik ben thuis.

Ik schrik wakker uit mijn dromen als een vriendelijke stem me vraagt of ze me kan helpen. Ik schud ontkennend het hoofd en zet de pot terug in het rek. Ik koop hem niet, want ik houd helemaal niet van “Kruutje”.

Mijn Limburg (De Keverberg) –  © Agnes Nijskens

keverberg 2
“De Keverberg”, short story by: Agnes Nijskens

Waar de brede stroom der Maas……

En weer hang ik m’n fototoestel om m’n nek om m’n favoriete rondje dwars door de velden naar de Maas te fietsen.

De zon schijnt en ik voel me vrij en gelukkig hier.

Aan de overkant doemt de kerk en het zojuist prachtig gerestaureerde kasteel de Keverberg van Kessel op.

Ik mijmer over vroeger tijden toen de Keverberg pensionaat voor meisjes was en ik aan de hand van mijn ouders mijn grote zus mocht bezoeken die daar een stukje opvoeding genoot.

Ik denk terug aan de grote Christusfiguur die je, als je boven aangekomen was over de brede wenteltrap, zeer indringend aankeek.

Er verschijnen prachtige witte wolken die mooi afsteken tegen een helblauwe hemel en ik knip mijn zoveelste foto van dit geweldig stukje Limburg.

Een dagpauwoog vliegt met me mee en het is net alsof hij me wil zeggen dat ook hij geniet van zon, warmte en het water.

“Tot de volgende keer”, zeg ik zachtjes.

Ik draai m’n fiets en peddel tevreden terug naar huis en droom daar verder.

Mijn Limburg (Home) – © Isabella El-Hasan

20150927_185044 copy
“Home”, short story by: Isabella El-Hasan

Ik was tien toen we er gingen wonen, in Limburg. Het dialect verstond ik meteen want ik groeide op in Duitsland maar thuis spraken we altijd Nederlands met mam. In mijn tienerjaren ervoer ik ons kleine dorp vaak als verstikkend… ik voelde me er nooit echt thuis.
Ik zie er ook niet echt Nederlands uit met een Jordaanse vader.Toen ik eindelijk de middelbare school af had, was ik snel weg, naar de grote stad… studeren in Maastricht en toen naar London!

Na zes jaar in Engeland, een stukgelopen huwelijk en met twee kleine kindjes was ik weer terug ‘oppe Ruiver’. En toen gebeurde het: voor het eerst voelde ik me thuis! Veilig en geborgen. Voor het eerst zag ik het. Zo heerlijk rustig, groen en schoon. De mensen groeten elkaar op straat, als je bij de Hema foto’s online bestelt, kun je ze meteen ophalen(!) Mensen zijn betrokken en zorgen voor elkaar.
Ik had nooit gedacht dat ik het niet erg zou vinden in een ‘I love Reuver’-T-shirt te lopen. Vandaar deze kleine ode aan ‘mijn Limburg’ :

Het is stil

hier, wiegen bomen in de wind, het koren danst

Tussen Venlo en Roermond daar ligt een plekje

Groen en schitterend,

in al haar seizoenen

Ich hub dich lief

Ik ben ‘home’